De Tuin en de Reality Check

Ik droomde van een tuin.

Maar wat ik niet goed door had: ik droomde van een Belgische tuin in Spanje.

Dus toen ons huisje er eindelijk stond, en dat lapje grond erachter lag te wachten op het wonder dat een tuinier (ik dus) daar zou verrichten, kwam de tuinier in kwestie langzaam tot het besef dat deze grond verschilde van haar geboortegrond. Dat er op deze grond een ander soort, robuuster onkruid groeide en dat deze grond een ander soort insekten aantrok. Geen idyllische lieveheersbeestjes, geen citroenvlinders, geen meikevers. Wel het soort insekten dat je gewoon wég wil hebben, hoe ecologisch ingesteld je voor de rest ook bent. Gras bleek ook niet vanzelfsprekend, en de wanna-be tuinier merkte tot haar ontzetting dat het enige grasveld in de buurt -dat van het park- er enkel zo bijlag omdat het stevig bespoten werd.

Het kostte haar een jaar om dit alles en de gevolgen ervan tot zich te laten doordringen en ondertussen bleef de tuin er brak bijliggen. Onkruid schoot op en verdorde onder de hete zomerzon. De hond groef putten. Kinderen speelden na een stortbui in de modder. Hier en daar groeiden er klaprozen.

Uiteindelijk drong de echtgenoot aan op een plan. Plastic gras, stelde hij voor. Zoals de buren links en rechts. Maar de tuinier-in-spe zei: over mijn lijk. Een tuin vol plastic? Ze was nog net genoeg ecologista om zich daartegen te verzetten. Ze wou iets echts. Geen plastic, geen beton met houtstructuur-imprint. Tegels dan maar. Een lekker groot terras. En een open stukje aan de zijkant, waar ze op een paar vierkante meter toch nog zou trachten de harde mediterraanse grond te bedwingen. En een boom te planten.

En nu ligt daar het terras en is ze eigenlijk wel opgelucht, want het ziet er echt uit en het schept ruimte, en misschien is tuinieren toch meer iets voor echte tuiniers. Misschien moet ze eerst maar eens klein beginnen, met een paar plantjes in bloempotten. Op dat mooie, grote, nieuwe terras.

 

terras

 

 

Advertisements

Het Border Collie Wonder

Van mijn 17e tot mijn 27e had ik een hond, een Border Collie. Hij heette Tibo, en eigenlijk was hij van het hele gezin, maar omdat ik met hem naar de hondenschool ging, beschouwde ik hem toch eerder als mijn hond. Toen ik op kot ging, kon hij daar niet mee lachen (honden kunnen lachen!), maar soms nam ik hem mee, en dat vond hij telkens geweldig. Op de bus en de trein zat hij dan op de zitplaats naast mij en voelde zich de koning te rijk. Het was een prachtige, bijzonder intelligente hond. Een echte kameraad.

DSC_0673

Hij stierf een half jaar voor ik naar Spanje emigreerde. Mijn vader timmerde een houten kist, we reden naar de Ardennen, en daar, in de tuin van mijn ouders, hakte ik tot zonsondergang in de van stenen vergeven grond, tot het gat dat ik gemaakt had groot en diep genoeg was om hem in te begraven.

Anderhalf jaar later vierden mijn kersverse Spaanse echtgenoot en ik ons burgerlijk huwelijk met onze noordelijke en zuiderse familieleden in een tot restaurant opgebouwde villa in Kalmthout. Erachter lag een park, waar we huwelijksfoto´s lieten maken met mijn vader als fotograaf. Slechts één wandelaar kwamen we daarbij tegen, en die had een hond bij. Een Border Collie.

DSC_0675

Een paar zomers later begon ik te beseffen dat permanent naar Spanje verhuizen betekende dat ik meer dingen zou moeten opgeven dan ik aanvankelijk gedacht had. ´s Morgens de gordijnen openschuiven en zien dat het gesneeuwd heeft, bijvoorbeeld. En het hebben van een Border Collie leek daar ook onder te vallen. Tot ik begin dit jaar, een paar maanden na de verhuis, in de buurt van ons nieuwe huisje rondwandelde en een jongen zag die zijn hond uitliet. Het was een roodharig dier, maar zijn bewegingen en lichaamshouding waren ontegensprekelijk die van een Collie. Ik sprak de jongen aan, en hij zei me dat het inderdaad een Border was. “En hoe houdt die het hier uit in de zomer?” vroeg ik. “O, dat lukt wel,” zei de jongen. “Als je er ´s morgens en ´s avonds mee gaat wandelen en hem overdag binnenhoudt, dan heeft hij er niet zoveel last van.” Hij gaf me ook het adres mee van de kweker waar hij zijn hond gehaald had. Bijzonder enthousiast kwam ik die dag thuis van mijn wandeling. Misschien dat we toch op een dag een Border konden hebben! Over een jaar of twee, schatte ik. Eerst settlen, en wat sparen. Want een rashond is niet goedkoop.

Een week later (echt waar, EEN WEEK LATER), zaten we bij mijn schoonouders aan tafel, toen mijn schoonbroer zich naar mij toe draaide. “Kath,” zei hij, “wil jij een Border Collie? Mijn bazin heeft een Borderteefje dat binnenkort een nestje gaat krijgen. En ze wil jullie er eentje kado doen.” Echt waar, ik viel bijna van mijn stoel. Mijn schoonbroer wist wel dat ik vroeger dat soort hond gehad had, maar ik had hem niets over mijn recente ontmoeting met die jongen en zijn hond verteld.

Desondanks hebben we heel lang getwijfeld, want zoals gezegd leek de timing niet echt ideaal en mijn man had wat koudwatervrees (had nog nooit een hond gehad). Maar het voelde zo meant-to-be, dat ik uiteindelijk toch de echtgenoot overtuigde. En zo kwam het dat we in april met een zwart-wit pupje thuiskwamen. We noemden hem Wolf.

DSC_0625

En het was inderdaad niet gemakkelijk, want de timing was inderdaad niet ideaal, en zowel Border Collies als Belgische baasjes zijn niet gemaakt voor hete Spaanse zomers, ondanks de hoopgevende informatie die ik te velde had gekregen.

Maar nu ligt hier die prachtige hond aan mijn voeten.

Ik woel met mijn vingers door zijn dikke, zwarte vacht en het voelt zo vertrouwd. Het is een thuiskomen in een gevoelswereld waarvan ik dacht dat ik ze voorgoed had moeten achterlaten. Een wereld die ik nu kan doorgeven aan mijn dochter. Zodat zij voor altijd weet hoe het voelt: die hondenkop in je handen houden, je bewust zijn van die attente aanwezigheid wanneer het dier naast je zit, het spelen, het knuffelen, trucjes leren. Bezorgd zijn als hij ziek is, en zonder nadenken zijn overgeefsel opkuisen. Boos zijn als hij je schoen vernielt of het zadel van je fiets. Lachen wanneer hij bijkomt na een narcose –enerzijds omdat hij zo grappig waggelt, anderzijds uit opluchting omdat hij okee is.

En over zovele jaren: afscheid nemen van je vriend en in de harde grond van deze onverbiddelijke aarde een laatste rustplaats voor hem graven. En zien dat hij desondanks nog altijd met je meeloopt wanneer je alleen gaat wandelen.

 

 

 

 

 

Een lagom huis

In 2005 vertrok ik op Erasmus naar Belfast met één koffertje. In dat koffertje zaten drie stellen kleren, twee paar schoenen, twee handdoeken, een kussensloop, wat zakdoeken, een goedgevuld toilettasje, een goedgevulde pennenzak, een roman, een notaboekje en wat foto´s.

Ik kreeg een kamer toegewezen in Bostock House, een verpleegstersresidentie die deel uitmaakte van het Royal Victoria Hospital, en die qua interieur te vergelijken was met de Home Vermeylen in Gent. Er was één keukentje voor de hele verdieping en onder ex-Erasmussers wordt er soms gediscussieerd of de oppervlakte daarvan vier dan wel vijf vierkante meter was. De kamers waren niet veel groter dan de keuken, en het meubilair bestond uit een bed, een laag kastje, een kleerkast met spiegel, een wastafel en een bureautje met stoel.

Daar heb ik drie maanden gewoond, en het was fantastisch. Wat ik daar geleerd heb, heeft me een basis gegeven waarop ik tot op de dag van vandaag aan het voortbouwen ben. En één van de Bostock levenslesjes heeft te maken met dat koffertje en die kamer. Sindsdien weet ik namelijk dat je perfect gelukkig kan zijn met drie stellen kleren en een privéruimte van hooguit 6 vierkante meter (zolang ze je ´s nachts maar laten slapen). Dat je op materieel vlak bijzonder weinig nodig hebt zolang er vrienden in de buurt zijn die briefjes onder je deur schuiven als je ziek bent, of een arm om je heen slaan wanneer je droevig bent. En als er een leuke Spanjaard met blauwe ogen op je gang woont, vergeet je al helemaal dat je haardroger nog in België ligt.

Op dat idee hebben we ook dit huis gebouwd (-ik bedoel natuurlijk dat van dat materiële, maar die Spanjaard op de gang, dat heb ik toch ook maar mooi voor elkaar gekregen ;)). We hadden een groter terrein kunnen kopen en een groter huis kunnen bouwen als we ons dieper in de schulden hadden gewerkt, maar we hebben ervoor gekozen enkel te nemen wat we nodig hebben. Het huis is een simpel vierkant met beneden een toilet, een gastenkamer en een woonkamer annex keuken, en op de bovenverdieping een badkamer en twee slaapkamers. De badkamer heeft geen bad, enkel een douche, en de wastafel heeft maar één waskom. (Dit vooral onder het motto “alles wat ge hebt, moet ge kuisen” en iets minder uit filosofische overtuiging, maar soit.)

Ook kleerkastgewijs zijn mijn man en ik een beetje Bostockers gebleven. We delen één kleerkast en daarin hangt niet veel meer dan de kleren die we echt dragen. Het lijkt misschien een beetje armetierig, maar het geeft erg veel rust. (*)

Sinds kort weet ik, dankzij de blog van Anna, dat er voor dat idee een woord bestaat: lagom. Het verbaasde me niets te lezen dat dit een Zweeds woord is. Het betekent zoveel als: nemen wat je nodig hebt, niet minder en niet meer. Want als iedereen precies zou nemen wat hij of zij echt nodig heeft, dan is er genoeg voor iedereen, en het is nog goed voor het milieu ook.

Waarmee ik niet wil zeggen dat wij dit uit altruïtische overwegingen gedaan hebben; het is gewoon een soort levensfilosofie die ons eigen leven makkelijker maakt, en die vooral voortgekomen is uit het feit dat ik rap overprikkeld geraak, niet graag kuis, en nog minder graag ga shoppen. Bovendien wil ik hier ook niet mee gezegd hebben dat iedereen in een huis zoals het onze zou moeten wonen. Er zijn vast mensen die aan een boomhut genoeg hebben, en anderen die veel meer oppervlakte nodig hebben (artiesten met een atelier, mensen met meer kinderen, enzovoort). Het gaat er gewoon om te weten wat je nodig hebt, niet meer en niet minder. Lekker lagom. En lang leve de Zweden.

 

(*) Behalve als het per uitzondering een week aan een stuk regent en de was niet droogt omdat je geen droogkast hebt. Maar zo leer je vestimentair creatief zijn.

 

 

 

De vloer onder uw voeten

dsc_0568

Alle huizen waarin ik hier in Spanje gewoond heb, hadden een tegelvloer. Zelfs de slaapkamers waren betegeld. Nu begrijp ik wel dat tegels frisser zijn in de zomer, maar ik heb er nooit aan kunnen wennen. En het wordt in de zomer toch veel te heet – tegels of niet, afzien doen we toch. Dus waarom daar de rest van het jaar ook nog eens de gezelligheid aan opofferen?

Dus gingen wij lekker tegen alle Spaanse gewoontes in voor laminaat met zo´n heerlijk hout-patroon. Ik kan mijn geluk niet op. Echt waar: ik word blij van naar de vloer te kijken (een ietwat vreemde vorm van geluk, maar soit). En aangezien ons huis geïsoleerd is, zou het met die hitte nog moeten meevallen ook, maar dat wordt afwachten.

 

 

The taps that changed my mind

dsc_0560

 

Vroeger dacht ik: van zodra we ons eigen huis hebben, kunnen we op vakantie gaan via huisruil! Wat een geweldige uitvinding! Ik zag ons al een dikke maand kosteloos verblijven in een of andere Zweedse bungalow, terwijl een koppel Zweden hier voor onze plantjes zou komen zorgen.

Wat leek me dat een fantastisch idee. Mensen die niets van huisruil moesten weten, begreep ik voor geen meter.

Tot ik de blinkende kranen in ons gloednieuwe huisje zag. En ze in gedachten vergeleek met de gruwelkranen van onze huurwoningen: verroest, vervallen, en vol vlekken en aangekoekte zeep. En na een poetsbeurt: met iets minder aangekoekte zeep, maar voor de rest igual.

En nu sta ik mijn gloednieuwe, fonkelende kranen op te poetsen, en zie ik voor mijn geestesoog een stel Zweden hier hun kamp opslaan en twee weken lang mijn kranen verwaarlozen. En ik denk: o nee. Huisruil? No way.

En daarmee stierf er weer een klein stukje hippie in mezelf.

Maar ik mis ´m niet. Er schiet nog genoeg over, en de kranen zijn het helemaal waard.

 

 

 

 

 

 

 

Odysseus spoelt aan

Ondertussen hebben we de eerste week in ons eigen huisje erop zitten.

Voor het eerst in die acht jaar dat ik hier in Spanje ben, woon ik in een huis waar

  • ik de buren niet hoor
  • de muren geïsoleerd zijn
  • alle ramen sluiten
  • er laminaat op de vloer ligt in plaats van tegels
  • het water van de douche geen vijf minuten moet opwarmen en de temperatuur van het water, eens opgewarmd, stabiel blijft

Wat een gigantisch verschil maakt dat voor een hoogsensitief juffrouwke gelijk ik.

En er is nog een reden waarom ik zo blij ben hier te wonen. Het is namelijk voor het eerst sinds ik op mijn 18e op kot ging, dat ik in een huis woon waar ik (hopelijk) ga blijven. Ik ben ondertussen 36, en ik heb voor de lol eens een lijstje gemaakt van alle plaatsen waar ik de afgelopen 18 jaar gewoond heb. Dat zijn er 11:

1.Krijgslaan, Gent, België

2.Statiestraat, Zwijndrecht, België

3.Sint Kwintensberg, Gent, België

4.R. Geelhanddreef, Kapellen, België

5.Falls Road, Belfast, Noord-Ierland

6.Kortrijksesteenweg, Gent, België

7.Oostmoer, Waarschoot, België

8.Edward Pynaertkaai, Ledeberg, België

9.Plaça de la Senyoria, Port Saplaya, Spanje

10.Carrer Reial Sèquia de Montcada, Rafelbunyol, Spanje

11.Carrer del Puig, Rafelbunyol, Spanje

Op sommige plaatsen heb ik liever gewoond dan op andere, maar ze hebben allemaal hun indruk nagelaten, en bij elke plek horen er verhalen, besefte ik bij het opmaken van deze lijst (ik weet niet wat jullie ervan denken, maar voor mij zijn de vreemdste plaatsen in die lijst Zwijndrecht en Waarschoot. Hoe komt een mens daar in godsnaam terecht). Waarom die lijst zo lang is, heeft waarschijnlijk te maken met een mix van nieuwsgierigheid en een neiging tot vluchten als coping mechanisme.

Feit is wel dat een mens heel moe wordt van al dat verhuizen en nergens je wortels kunnen laten groeien. Daarom ben ik heel blij dat ik eindelijk aangespoeld ben. Tijd om een beetje te bekomen.

 

 

 

 

 

 

De eerste nacht

Verleden zaterdag hadden we in het nieuwe huis de bedden slapensklaar gemaakt, alleen het bedje van onze dochter moest nog verhuisd worden. Ik liet me die namiddag op de matras van ons hoge bed vallen, in die stille kamer, en het leek alsof mijn lijf zich voor het eerst in 8 jaar ontspande.

Van zaterdag op zondag zouden we nog op het oude appartement slapen. Dus daar lag ik die nacht, op mijn matras op de grond, luisterend naar de brommers die gierend door de straat passeerden alsof ze vlak naast mijn hoofd scheurden, en gokkend waardoor ik ´s ochtends gewekt zou worden: de keffers van de buren? De vrachtwagens die vanuit de KMO-zone aan de overkant voor onze deur komen draaien en verstrikt raken in het rond punt? De schoonmaakdienst (waarom moet die straat schoon voor 7 uur ´s ochtends)?

Ik heb toen nog een tijdje liggen twijfelen, maar rond middernacht stond ik op, kleedde me aan, en liep naar de living, waar ik mijn man in een diepe slaap op zijn matras vond. (We zijn gestopt met die sofa/matras naar de slaapkamer te verhuizen elke avond. Dat soort dingen hou je drie dagen vol.)

Aan de keukentafel schreef ik bij het licht van een straatlantaarn deze boodschap op een stukje wc-papier (*): “Can´t take the noise anymore. Gone to sleep at the new house. See you tomorrow. Xxx Kath”. Dat plakte ik op de deur. Toen propte ik mijn hoofdkussen en pyama in mijn fietstas en fietste in het donker naar de andere kant van Rafelbunyol. Daar maakte ik mijn nestje in het bed van de logeerkamer en sliep tevreden in.

 

(*) een rol wc-papier op de keukentafel, dat gebeurt en tiempos de mudanza